Filippenzen – De hoofdzaken uit onze besprekingen tot nu toe.

In vers 21 en 23 van het eerste hoofdstuk zegt Paulus iets heel bijzonders: “te leven is voor mij Christus en te sterven is winst… Ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” Het leven van Paulus strekt ons tot voorbeeld omdat bij hem alles draait om zijn relatie met Jezus. Wat er ook in zijn leven gebeurde, voor hem was de belangrijkste vraag of Christus wordt “groot gemaakt”, dat wil zeggen verheerlijkt in zijn leven. Wanneer hij zegt dat hij zelfs een verlangen heeft om deze wereld en alle moeite te verlaten om bij Christus te zijn, dan is dat een uitspraak met een diep vertrouwen.

We kunnen daaruit misschien de conclusie trekken, dat wij in dit leven staan om anderen te dienen. Want dat is wat Paulus zegt in vers 24: “in het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.” Paulus mag nog niet weg. Hij heeft nog iets te doen voor anderen. Hij blijft nog in leven “tot de bevordering en de blijdschap van uw geloof” (vers 26). Op die manier beschouwd kunnen we niet verliezen! Wanneer we sterven, zijn we met Christus; wanneer we blijven leven hebben wij een opdracht om het geloof met anderen te delen en ervan te genieten. Daarom kan Paulus in vers 12 tot en met 20 op een optimistische wijze praten over zijn eigen omstandigheden. Zijn gevangenschap is niet alleen een nadeel geweest maar ook een voordeel. Hij kon in gevangenschap het evangelie verkondigen; de broeders in Rome kregen daardoor vertrouwen. Omdat Gods genade toch altijd de overwinning zal behalen, kan hij zelfs blij zijn met mensen die Christus prediken met verkeerde motieven. (Vers 17)

In vers 27 horen we een belangrijke opdracht: “wandel dan waardig het evangelie van Christus.” Dat is de opdracht. Om in ons leven te laten zien dat wij door dat evangelie zijn geraakt en veranderd en dat we Christus nu gehoorzaam willen zijn. Voor de gemeente is er deze belangrijke opdracht, namelijk die van de eensgezindheid. We kunnen alleen maar overeind blijven in de strijd wanneer wij saamhorigheid hebben. We moeten ons niet laten afschrikken door de tegenstanders (vers 28) en we moeten aanvaarden dat we soms voor ons geloof ook lijden moeten ondergaan (vers 29).

Dan komen we bij het prachtige tweede hoofdstuk.

De eerste 11 verzen bevatten een vermaning en een prachtig beeld van de geschiedenis van Jezus. We moeten eensgezind zijn, maar dat kan alleen als wij, een ieder van ons, aan een ander ook ruimte geven. “Laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf” (vers 3). De gezindheid die nodig is om deze eensgezindheid te bereiken, ziet Paulus uiteraard aanwezig in Christus. En dan citeert hij vermoedelijk een lied dat in de eerste gemeente gezongen werd. Christus was God zelf, maar heeft Zijn godheid afgelegd, dat wil zeggen er geen gebruik van gemaakt. Hij is aan de mensen gelijk geworden. Dan hebben we het dus over kerst, de vleeswording. Maar dan is er ook nog de vernedering van Jezus als mens vanwege zijn kruisiging. Een schandelijke dood die Hij totaal niet heeft verdiend. Maar juist omdat Jezus deze diepe vernedering heeft willen ondergaan, door het offerlam te worden dat de zonden van de wereld draag, heeft God de mens Jezus Christus tot Heere gemaakt boven alle schepselen. Aan dit lied kun je mooi zien wat de verkondiging geweest moet zijn in de eerste gemeente.

Wij moeten die gezindheid hebben die ook in Christus Jezus was. Vanaf vers 12 werkt Paulus dat nog wat meer uit. Omdat wij weten dat wij de zaligheid, de behoudenis hebben ontvangen, is het de bedoeling dat we dat in ons leven “uitwerken.” Dat wil zeggen, het moet zichtbaar worden aan ons gedrag dat wij verloste mensen zijn. Verloste mensen die hebben een andere gezindheid, die willen andere dingen, die vinden het belangrijk wat God wil. Als het goed is dan kan de wereld aan ons zien dat wij onberispelijk en onbesproken kinderen van God zijn. Niemand heeft iets op ons aan te merken.

Dat is dan niet onze eigen prestatie, want Paulus zegt ook dat het God is die dat alles in ons doet. Hij maakt het zo dat wij gehoorzaam willen zijn, en Hij geeft ons de mogelijkheid om ook werkelijk te doen wat God van ons vraagt. “Het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken, om (in overeenstemming met) Zijn welbehagen” (vers 13). Het zijn twee manieren om er naar te kijken: aan de ene kant moeten wij onze behouden is uitwerken, aan de andere kant moeten we beseffen dat het God is die in ons werkt.

Het is vaak zo in de Bijbel dat we twee uitspraken lezen die schijnbaar elkaar uitsluiten. Wij zouden hier logisch willen denken en zeggen, is het nou dat wij onze behouden is uitwerken, of is het God die in ons werkt? Het is toch of het een of het ander! Maar heel vaak in de Bijbel hebben we met twee uitspraken te maken die elk op zich waar zijn, elkaar uitsluiten, zodat het de bedoeling is om naar het midden te zoeken. Bijvoorbeeld: God bewerkt onze behouden is door ons de wedergeboorte te geven. En: zij bewerken onze behouden is, door Christus in geloof aan te nemen. Die twee uitspraken sluiten elkaar uit. Maar het is Jezus zelf die beide uitspraken gebruikt in het derde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, om uit te leggen wat het nieuwe leven inhoudt dat Hij kwam brengen. Aan de ene kant is het een werk van God in de wedergeboorte, aan de andere kant is het een werk van de mens in de bekering. Het is dus beide tegelijk, ondanks het feit dat logisch gezien die twee uitspraken elkaar tegenspreken.

Na een persoonlijk gedeelte dat loopt van vers 19 tot en met vers 30 over Tmotheus en Epafroditus komen we bij hoofdstuk 3.

Daarover de volgende keer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *